Onze ervaringen met tolken in onderzoek
Geschreven door burgerwetenschapper Marion en beroepswetenschappers Klaske en Evy
In ons burgeronderzoek naar de relatie tussen hart- en vaatziekten en moeite hebben met rondkomen, staan de ervaringen van mensen centraal. Hiervoor interviewden we 44 deelnemers over hun gezondheid, financiële situatie en de impact daarvan op hun dagelijks leven.
Tijdens de werving merkten we dat ook deelnemers met een niet-Nederlandse achtergrond zich aanmeldden. Elf van de geïnterviewde deelnemers hadden een niet-Nederlandse achtergrond, waarvan zeven pas op volwassen leeftijd naar Nederland zijn gekomen. Hoewel het eerste contact meestal in het Nederlands lukte, merkten we dat een diepgaand gesprek over gezondheid, financiële zorgen en persoonlijke ervaringen niet voor iedereen vanzelfsprekend was. Binnen ons team van burgerwetenschappers en beroepswetenschappers spreken we vooral Nederlands en Engels. Voor deelnemers die zich prettiger uitdrukten in een andere taal, schakelden we daarom waar nodig een professionele tolk in.
Al snel bleek dat de keuze voor een tolk niet alleen om taal draait, maar ook om vertrouwen. Twee deelnemers gaven bijvoorbeeld aan liever geen tolk te willen. Hoewel hun Nederlands niet perfect was, voelden zij zich ongemakkelijk bij het idee om hun persoonlijke verhaal via een derde persoon te delen. Voor hen woog privacy zwaarder dan het gemak van spreken in hun moedertaal.
Een andere deelnemer had juist specifieke wensen. Ze wilde graag een vrouwelijke tolk en vroeg vooraf om haar naam. Niet omdat ze die wilde kennen, maar juist om te controleren dat ze haar níét kende. De gemeenschap waarin zij leefde was relatief klein en veel mensen kenden elkaar. Ze wilde voorkomen dat haar persoonlijke verhaal binnen die gemeenschap terecht zou komen. Dat maakte opnieuw duidelijk hoe belangrijk een gevoel van veiligheid is tijdens een interview.
Ook kwamen we praktische uitdagingen tegen. Tijdens een interview met een echtpaar bleek dat de deelnemers en de tolk verschillende dialecten spraken. Daarmee werd duidelijk dat de taalbarrière soms al vóór het interview begint, bijvoorbeeld bij het afstemmen van de juiste taalvariant.
Uiteindelijk werden vijf deelnemers geïnterviewd met een tolk erbij. We werkten hiervoor samen met een tolkenbureau. De rol van de tolk verschilde per gesprek. Sommige interviews verliepen volledig via de tolk, terwijl in andere gesprekken Nederlands en de moedertaal van de deelnemer elkaar afwisselden. In alle gevallen merkten we dat de aanwezigheid van een tolk hielp bij verduidelijking, nuancering en verdieping. Wanneer er herkenning was tussen tolk en deelnemer, bijvoorbeeld door een gedeeld land van herkomst of vergelijkbare levenservaringen, leek dit het gesprek verder te vergemakkelijken.
Soms was een verhaal zo aangrijpend dat het ook de tolk zichtbaar raakte. Hoewel een tolk vanzelfsprekend een professionele rol heeft, liet dit zien dat er tijdens het gesprek ook een menselijke verbinding kon ontstaan. Die empathie leek eraan bij te dragen dat deelnemers zich gehoord voelden en openhartig hun ervaringen deelden.
Wat we van deze interviews hebben geleerd, is dat een tolk meer is dan een vertaler. Een goede tolk helpt niet alleen woorden over te brengen, maar draagt ook bij aan vertrouwen, nuance en wederzijds begrip. Daardoor kunnen deelnemers hun verhaal vertellen op een manier die voor hen prettig voelt. Zo kregen we rijke inzichten van een groep die nog niet altijd wordt bereikt in onderzoek, terwijl deelnemers aangaven het te waarderen dat zij hun ervaringen in hun eigen taal en op hun eigen manier konden delen.