De waarde van één ervaring
Geschreven door Simone ’t Hooft, onderzoeker bij lectoraat Betrokken Wetenschap
“Ik vind het een mooi idee,” zei ze, “maar representativiteit is een probleem. Mensen in die groep hebben één ervaring, ze kunnen alleen voor zichzelf spreken, ik bedoel: N=1…*” ‘Ze’ is een collega-onderzoeker die ik, toen ze dit zei, net had verteld over de burgeradviesgroep die we vanuit het lectoraat Betrokken Wetenschap bezig waren op te richten.
Die groep zou gaan bestaan uit mensen uit de regio Breda met zorgen over geld, wonen, werk of gezondheid, die onderzoekers van Centre of Expertise Perspectief in Gezondheid adviseren over hun onderzoeken. De adviezen kunnen over alle aspecten en fasen van onderzoek gaan. Voorbeelden van onderwerpen zijn de relevantie van een onderzoeksvraag, de begrijpelijkheid van een vragenlijst, de wervingsstrategie en de keuze van producten over je onderzoek.
De persoon die ik hierover sprak was enthousiast, vond het goed dat geleefde ervaring zo een plek zou krijgen in projecten van onze afdeling, máár representativiteit. Het gesprek had me bewust gemaakt van deze regelmatig gemaakte kanttekening bij participatief onderzoek, en daarna hoorde ik het vaker.
Eerlijk gezegd zag ik het eerst zelf ook als een mogelijke serieuze beperking van het participatieve onderzoek waar ik aan werk. De ervaringen van mensen om wie het in ons onderzoek gaat zijn waardevol voor onderzoek zelf, absoluut. Maar hoe legitiem is het om op basis van de ervaringen van enkele mensen onderzoekskeuzes te maken?
Dat er op dit argument van alles valt af te dingen, zouden we al moeten vermoeden door de woorden die erin voorkomen. Representativiteit, N, generaliseerbaarheid – het zijn woorden die je gebruikt als je het hebt over participanten van kwantitatief onderzoek. Maar in de context van participatief onderzoek zijn mensen met relevante ervaringen geen (of in ieder geval niet alleen) participanten, maar samenwerkingspartners. Dat verschil is belangrijk. Want bij een samenwerkingspartner gaat het er niet om hoeveel mensen hun ervaring delen, maar wat we van die ervaring kunnen leren. Niet of iemand een goede afspiegeling is van een populatie, maar wat iemand inhoudelijk aan het onderzoek kan toevoegen.
De keuze voor woorden die eigenlijk veel meer gaan over participanten is niet toevallig, maar één die voortkomt uit een nog altijd dominante, meer traditionele visie op wetenschap. In die visie is doorleefde ervaring onderwerp van onderzoek, niet iets wat in je ‘objectieve, neutrale’ onderzoeksteam en -opzet vertegenwoordigd is.
Die illusie van een objectief, neutraal onderzoeksteam is waarschijnlijk de reden dat we dit punt over representativiteit nauwelijks horen in relatie tot beroepsonderzoekers. Maar natuurlijk maken zij ook keuzes op basis van een eigen referentiekader. Hun inschattingen zijn niet vrij van perspectief. De vraag is dus niet óf er perspectieven een rol spelen in onderzoek, maar wélke. En met alleen beroepsonderzoekers aan tafel ontbreekt vaak het perspectief van mensen die niet alleen kennis hebben over een thema, maar het ook zelf hebben ervaren.
Het verschil tussen die twee is misschien te vergelijken met dat tussen de kennis van een plek van een toerist en die van een local. Veel beroepsonderzoekers zijn in relatie tot hun thema’s als toeristen; ze lezen zich goed in over hun bestemming en spenderen er vervolgens wat tijd, maar hun kennis blijft kennis op afstand. Locals daarentegen (mensen met relevante ervaringen) kennen hun plek (het thema) van binnenuit. Ze hebben doorleefde, belichaamde kennis. Ze weten hoe je het snelst van A naar B gaat, waar de kuilen in de weg zitten en wie je alles kan vertellen over de geschiedenis van de plek. Hoe beter een onbekende plek te navigeren dan door op te trekken met de locals?
Wie dat doet, kan ervaren hoe dat je reis (het onderzoek) beter maakt. Niet alleen wetenschappelijk verantwoord, maar bijvoorbeeld ook beter uitvoerbaar, passender, betekenisvoller. Ik denk dat het bezwaar waarmee ik deze blog begon dan ook naar de achtergrond verdwijnt. Als iemand je een gouden wervingstip geeft, uitlegt wat een ogenschijnlijk kleine opmerking van een participant waarschijnlijk betekende. Als iemand alleen al door aanwezig te zijn bij een interview een participant op zijn gemak stelt. Of als iemand zegt: “Als jullie dit zó opschrijven, gaat niemand het lezen,” om vervolgens een alternatief te bedenken dat wél werkt.
Op zulke momenten vraag je je niet meer af of een persoon representatief genoeg is. Je vraagt je af wat je zonder diegene niet had gezien.
*’N=1’ betekent dat iets op één persoon of één geval is gebaseerd. Vaak (en ook hier) wordt ermee bedoeld dat één ervaring niet genoeg is om algemene conclusies te trekken.